WERELD & DENKEN
 
 

Regels, stromen

StromenIn Groei, natuurlijk is zijn diverse gevallen van groei behandeld als een manier om iets te weten te komen over toestanden van natuur en mensenmaatschappij, omdat groei, als exponentieel proces, behoort tot de meest basale en ook de meest dramatische dus zichtbare veranderingen in de natuur. Groei bleek daarbij afgewisseld te worden met situaties die min-of-meer in constant en in evenwicht zijn, aangeduid als "toestanden".

Maar ook die toestanden zijn onderhevig aan veranderingen, zij het veel geleidelijker en in ieder geval aanvankelijk zonder al te veel veranderingen in de toestand zelf. Natuurkundigen noemen dit "quasi-stationaire verandering".

Omdat de verandering zelf klein is, is deze dus moeilijk waar te nemen. Wat wel waar te nemen is, is datgene dat er afgaat of er bij komt. Met als algemene aanduiding: de "stroom" of "stroming". 

En dat "quasi" in "quasi-stationair" staat dus mede voor het feit dat op den duur de bron van de stroom, de "voorraad" op kan raken, of de opvang over kan stromen.

Het bekendste voorbeeld uit de menselijke leefwereld is de stroming van water, met name die tussen de quasi-stationaire toestanden van "gletsjer" en "oceaan" Info waterkringloop . Maar die voor de wetenschap het nadeel heeft dat ze moeilijk te meten is. De natuurkunde verschaft het voorbeeld van een goed meetbare vorm van stroming: die van elektriciteit Info elektriciteit .

Dat makkelijke meten vond zijn weerslag in het redelijk vroege ontdekken (1827, qua publicatie) van de de wet aangaande elektrische stroming: de wet van Ohm uitleg of detail . Die gaat over de elektrische stroom (letter \( I \), eenheid Ampère) in een draad wanneer er een spanningsverschil (spanning: letter \( V \), eenheid Volt; verschil: letter: \( \Delta \)) over staat - een bekend voorbeeld zijnde dat van de oude gloeilamp waar de bekende netspanning van 220 volt over staat en een zo sterke stroom door de draad gaat lopen dat ze heet wordt en gaat gloeien. De hoeveelheid stroom hangt ook af van de "weerstand" in de draad, met letter \( R \) en eenheid Ohm. Hoe meer weerstand, hoe minder stroom, en hoe meer spanning, hoe meer stroom. Tezamen:
\[ I ~ = ~ { { \Delta V } \over R } \]
De wet van Ohm ziet er dus simpel uit. Maar de natuurkunde erachter is dat niet. De stroom wordt gedragen door de losse elektronen in het metaal van de simpelste geleiders, zoals het wolfraam van de gloeidraad. Elektronen horen bij de atomen waaruit metaal en iedere stof bestaat, en van atomen bestaan er ten opzichte van onze zichtbare wereld altijd ontzettend veel. Natuurkundigen karakteriseren dat aantal met "het getal van Avogadro" uitleg of detail : \( 6 \times 10^{23} \) .

De elektronen in het metaal gaan steeds sneller door de spanning die over de draad staat, tot ze botsen met de atomen waar ze vanaf komen. En dan beginnen ze weer opnieuw met versnellen en sneller gaan. Tot ze weer botsen enzovoort:
Elektronen botsingen 

Het botsen van de elektronen doet de atomen trillen en maakt de draad heet en het zorgt uiteindelijk gemiddeld voor een constante stroom. Die constante stroom is de stroom die Ohm mat. De weerstand zorgt voor een contante stroom net als de luchtwrijving de auto een constante snelheid bezorgt ondanks het feit dat de motor voortdurend kracht erop uitoefent.

De wet van Ohm gaat dus over de beweging van ongeveer \( 6 \times 10^{23} \) elektronen, in plaats van bijvoorbeeld de beweging van één enkel gewicht zoals in het veer-experiment en de bijbehorende wet van Hooke, gebruikt als voorbeeld bij de afleiding van formules .

Door dat grote aantal, is de wet van Ohm niet wiskundig (analytisch) oplosbaar zoals de wet van Hooke, maar het is desondanks een geldige beschrijving.

Het geval van het stromen van water, weergegeven in de kop-illustratie, werkt identiek - de aandrijvende kracht is daar de zwaartekracht en de afremmende kracht komt van de botsingen met de bodem, oevers, rotsen, enzovoort.

Dit is het natuurkundige voorbeeld van het fenomeen van stroom als een vorm van het algemene verschijnsel van verandering.

In de sociologie zijn de elementen waar men mee te maken heeft mensen. Die komen niet in aantallen van één, of twee, zoals in het geval van het veer-experiment. En ook niet in aantallen van \( 6 \times 10^{23} \) zoals bij de wet van Ohm. In de sociologie ligt dat aantal er tussenin, maar duidelijk dichter, conceptueel, bij \( 6 \times 10^{23} \) dan bij één. Het zijn er gewoon heel veel. En ook voor zo'n aantal zijn dus in principe regels of wetten te formuleren.

Al gebuikt als voorbeeld in Formules, differentiaalvergelijkingen is dat van de migratie. De betrokken aantallen voor de relevante gevallen zijn duizenden en hoger, daarmee voldoend aan de voorwaarde voor "veel bewegers" - en het is een gebeuren dt plaatsvindt met deze aantallen over langere tijd. Bovendien is dit ten opzichte van voorraden, de aantallen in gebied van afkomst en aankomst, die veel groter zijn en dus min of meer stabiel blijven. Oftewel: migratie is een "stroom" - aan te duiden als \( I_m \) .

Ten tweede is er een "weerstand": de "reisweerstand". En daarbij zijn er net als in de natuurkunde dramatisch verschillende materialen: tegenover "metaal" of "isolator" staat "land" of "oceaan". Met zelfs iets dat  overeenkomt met "halfgeleider" in de vorm van de "Middellandse Zee" - dat wil zeggen: het is moeilijk deze over te steken, maar je hebt geen zeeschip nodig. Er is een groepje nodig om een bootje voor de oversteek te bouwen of organiseren maar geen grote groep als bij een zeeschip. Deze reisweerstand wordt aangeduid met \( R_r \) .

En ten derde is er dus een drijvende kracht nodig - iets overeenkomend met "spanningsverschil". Daarover kan een ideeënstrijd ontstaan, want de meeste sociologen en de politiek-correcte elite ontkennen het bestaan ervan, maar wetenschappers weten dat het er wel is: in standaardtermen: het verschil in cultuur, en in termen van het hier te ontwikkelen formalisme: het verschil in maatschappelijke toestand. Voorlopig maar even aangeduid met de eerste term: \( \Delta C \)

Met deze drie kan de wet van Ohm kan herschreven worden tot:
\[ I_m ~ = ~ { \Delta C \over R_r } \]
Dat wil zeggen: dit is de simpele basisregel.

Daaraan kunnen zaken toegevoegd worden, zoals bijvoorbeeld een constante stroom die er altijd is onafhankelijk van een cultuurverschil:
\[ I_m ~ = ~ I_0 ~ + ~ { \Delta C \over R_r } \]
Die "nulstroom" zijnde die van diplomaten, kunstenaars, en, naar sommige bestemmingen: rijken. Dat laatste bijvoorbeeld als je het hebt over het Caribische gebied: de gewone migratiestroom is de cultuurafhankelijke versie van arme Jamaïcanen en dergelijke naar voornamelijk Engeland, en er is een kleine constante stroom van rijken naar het Caribische gebied, bijvoorbeeld de Kaaiman Eilanden.

Dit is dus de wet die de migratiestroom "regelt". Die globaal te testen is door te kijken naar nog wat globale praktische gevallen.

Eerst de historische gevallen. Al die gevallen bevestigen: de laagste migratieweerstand is die van "over land". Het Amerikaanse continent is gekoloniseerd door de moderne mens vanuit één enkele landbrug: die over de Beringstraat, waarna de groepen van noord naar zuid zijn gemigreerd (bewijs: het voorkomen van bloedgroep B, al geformuleerd in 1932 door J.B.S. Haldane uitleg of detail in The Inequality of Man). Uitzondering is de migratie van de Polynesiërs over de eilanden van de Stille Oceaan.

Ook de hedendaagse voorbeelden bevestigen deze regel: migratie naar Amerika is veel moeilijker dan bijvoorbeeld binnen Europa, behalve voor Mexicanen, want die hebben een "landbrug', en die Mexicanen zorgen ook voor de grootste migratiestroom.

En het geval van Europa is een typisch tussengeval: er zijn wel landbruggen maar die zijn vrij lastig begaanbaar (daar zit bijvoorbeeld de Balkan, een berggebied, tussen), en één van de afscheidingswateren is de Middellandse Zee, en die is weer voor een "Zee" redelijk makkelijk begaanbaar. De migratiestromen naar Europa zijn dan ook sterk wisselend naar omstandigheden - net als de stroom in een halfgeleider wisselt deze sterk naar omstandigheden (bij de halfgeleider, aanleiding voor haar gebruik als "versterker").

Het geval van Europa laat dus ook als duidelijkste de invloed van de derde factor zien: het verschil in maatschappelijke toestand of cultuur. Deze is in de moderne tijd ook het makkelijkst te bepalen. Daarvoor moet even vooruitgelopen worden op de analyse van de maatschappelijke factoren zoals verzameld hier , met de veronderstelling dat de sterkte van de economie een goede maat is de algemene maatschappelijke toestand. De maat voor de sterkte van de economie is algemeen bekend en aanvaard als het bruto binnenlands (nationaal) product, gewogen naar de "omvang' van het land door te delen door het aantal inwoners - het "bbp".

De benadering van de maatschappelijke toestand via die van het bbp noem je de "economische benadering", uit te drukken als:
\[ C_E ~ = ~ c \, { E \over N } \]
Met \( C \) het niveau van de cultuur/land, \( E \) het bruto binnenlands product, \( N \) het aantal inwoners, en \( c \) een factor ergens in de buurt van tussen 0,5 en 2. De bijpassende gegevens omtrent het bbp staan hier uitleg of detail .

Ook in dit geval bevestigen de globale cijfers de wet: de migratiestroom is het sterkst daar waar het verschil in maatschappelijke toestand het grootst is, en de reisweerstand het laagst. Een wat kleinschaliger voorbeeld: toen binnen Europa de Schengen-grenzen opengingen, bewogen de mensen met de laagste maatschappelijke toestanden in Oost-Europa, de criminelen, zich naar de gebieden met de hoogst maatschappelijke toestand: Noordwest-Europa uitleg of detail .

Merk dus hier een (toevallige) overeenkomst op met het natuurkundige geval van stroom: de (overgrote) meerderheid der bewegers beweegt van laag naar hoog (de negatieve elektronen bewegen naar de hoger gelegen "positieve pool" van de batterij).

De bedoeling van dit geval van stroming als voorbeeld van verandering was om iets te leren over de toestanden die de maatschappij beschrijven. In feite is dat dus onderweg al gedaan: er is gebleken dat ook in de sociologie, naast in de natuurkunde, sprake is van niveauverschillen. Die in de natuurkunde zijn de meest fundamentele die in energie, en die in de sociologie zijn de meest fundamentele dan dus te benoemen als "maatschappelijke energie". En dat is iets dat zit in "de cultuur", en waarvoor je dus ook de term "cultuur" kan gebruiken: je kan nu al spreken van sterke en zwakke culturen. Iets dat men dus zelden tot nooit doet. Wat men wel en meer doet is spreken over vooroplopende en achteroplopende culturen - dat gaat onbewust gepaard met de veronderstelling dat de natuur er voor zorgt dat de waarde van cultuur in het algemeen voortdurend stijgt. Waarbij de reden om een voortdurend toenemende waarde van de cultuur te veronderstellen in feite niets anders is dan de veronderstelling van het bestaan van een proces van evolutie.

En het bestaan van een proces van evolutie dicteert als volkomen dwingend het bestaan van niveauverschillen tussen culturen.

Want anders zou de evolutie op dit huidige punt stoppen.

Tussenconclusie uit deze stappen: allen die het tegenovergestelde aanhangen in welke mate dan ook, overtreden de meest basale regels van de wetenschap.

De eerste conclusies omtrent de maatschappelijke toestand uit bovenstaande fenomenologie komen hier (link volgt).


Naar Inleiding, model , Wetenschap lijst , Wetenschap overzicht , of site home .

 

29 mei 2015












De basis van het algemene verschijnsel van elektriciteit of elektromagnetisme is het specifieke verschijnsel van "lading" - iets dat je kan "maken" op diverse manieren waarvan redelijk bekend "de glazen staaf en kattenvel", of "synthetische stoffen en wrijven" in het algemeen, waarna al snel ontdekt werd dat dit een proces van "splitsing" veroorzaakt met de ene stof hebbende iets tegengestelds aan de andere waardoor de twee elkaar aantrokken - wat dus gedoopt is "lading", met de twee soorten als "plus"en min", waarbij de verkeerde is gekozen voor "plus", want degene die het meest beweegt, het veel lichtere elektron, is "min" en dat is lastig want die kan je dus het makkelijkste meten.
Ook de bronnen van rivieren, gletsjers, zouden miljoenen jaren geleden "op" zijn. De reden dat ze het niet zijn, is omdat ze constant aangevuld worden. Met oceaanwater. Dat eerst verdampt onder invloed van de zonnewarmte, opstijgt als waterdamp en wolken wordt, die landinwaarts drijven en daar verder opgestuwd worden, waarbij de waterdamp bevriest tot sneeuw. Die neerdaalt op de grotere hoogtes. Alwaar ze uitsneeuwen. En alle lagen sneeuw op elkaar worden gletsjers. Laat de aardetemperatuur een graad of zes dalen, en bijna heel Europa ligt onder de gletjers.
Afbeelding van hier uitleg of detail .