Sociologische begrippen: conservatisme

Het conservatisme in de vorm van de conservatieve neiging bij de brede bevolking is iets dat ervaren wordt als een vanzelfsprekende zaak. Zo vanzelfsprekend dat daar waar er "bijna iedere dag" aanleiding is om het er over te hebben, met name omdat de politiek dan weer een besluit heeft genomen ten nadele van de bredere bevolking, men het er zo zelden over heeft dat "nooit" de operatieve term is.

Deze redactie werd dan ook pas wakker een dag of zo na het lezen van dit artikel (de Volkskrant, 28-06-2022, door Maarten Keulemans):
  Tussentijdse peilingen zijn voor de uiteindelijke verkiezingsuitslag een beroerde graadmeter

D66 'valt terug', de VVD 'verliest zetels', de BoerBurgerBeweging 'kan de grootste partij in Nederland worden', zo heette het de afgelopen dagen. Er is eigenlijk maar één probleem: de peilingen waarop dergelijke beweringen zijn gebaseerd, hebben de neiging om later niet uit te komen.
    Peilingen tussen de verkiezingen door voorspellen de uitkomst van de volgende verkiezing niet beter dan de huidige zetelverdeling in de Kamer. Dat blijkt uit deze week gepubliceerd onderzoek van politicologen Tom van der Meer, Lisa Janssen (beiden UvA) en Tom Louwerse (Universiteit Leiden). Pas in de weken en maanden in aanloop naar de verkiezingen beginnen peilingen beter aan te geven hoe de verkiezingsuitslag zal uitpakken.
    Dat komt niet doordat peilingen slecht zijn uitgevoerd, maar doordat ze een momentopname zijn. Tussentijds zijn kiezers losser in hun opvattingen, zegt hoogleraar Van der Meer. 'Er staat dan minder op het spel, want het gaat niet om wie er straks gaat regeren.'

Met de uiterst simpele verklaring dat de tussenstijdse peilingen meer een weeslag zijn van de mening van de kiezers over hun politieke leiding, en hun gedrag in het stemhokje ordinaire angst voor verandering is.
    Als je het zo formuleert een bekend verschijnsel, in de vorm dat men bij crisis, zoals laatst de coronapandemie, gaat stemmen op de grootste partij dat wil zeggen de partij van de leider.
    Wat die leider ook doet of zegt.
    Met nu nog een extra onderbouwing in de persoon van die huidige leider, want één ding is in stilte volkomen universeel aanvaard: Mark Rutte liegt meer dan hij praat.
    En dat is al heel lang bekend, en desondanks werd er tijdens de coronacris meer op hem gestemd (gepeild).
    Nog wat numerieke voorbeelden:
  ...    Vooral nieuwkomers en partijen meer aan de randen, zoals PVV, 50Plus, BBB of FvD, scoren tussentijds hoger, terwijl regeringspartijen juist lijken weg te zakken. 'Maar als er verkiezingen komen, veranderen de verhoudingen weer en veert een deel van de kiezers terug', zegt Van der Meer. 'Tussentijdse winst verzekert nieuwere partijen niet van winst bij de volgende verkiezingen.'    ...
    Ook nu staat de regeringscoalitie in de peilingen op slechts 52 tot 65 zetels, terwijl BBB op 8 tot 12 en Ja21 op 7 tot 11 zetels staan. Maar dat kan schijn zijn: 'Denk aan het CDA van Balkenende voorafgaand aan de verkiezingen van 2006', zegt Van der Meer.
    Bij die verkiezingen torende de PvdA van Wouter Bos in de peilingen het hele jaar 10 tot 20 zetels uit boven het CDA - tot vier weken voor de verkiezingen. Uiteindelijk kwam Balkenende op 44, en Bos op 42 zetels. Ook de VVD onder Rutte zakte de afgelopen jaren in tussentijdse peilingen ver terug, tot rond de 20 zetels, om bij de verkiezingen ruim boven de 30 uit te komen.
    De wetenschappers bestudeerden de peilingen en de verkiezingsuitslagen vanaf 1998 tot en met de laatste verkiezingen, in maart 2021. Kiezers zijn wispelturig, blijkt ook uit een deelanalyse van cijfers van het EenVandaag-opiniepanel: slechts zo'n 50 tot 70 procent stemt uiteindelijk ook echt op de partij waarop men in tussentijdse peilingen zegt te gaan stemmen. Pas als de verkiezingen in aantocht zijn en de campagnes beginnen, begint dat aantal te stijgen.

Q.e.d.


Naar Sociologische krachten , of site home .

1 jul.2022