WERELD & DENKEN
 
 
De Volkskrant, 23-06-2001, door Lisette Thooft uitleg of detail

3 aug.2006

De vicieuze cirkel van rijkdom

Rijkdom voelt al snel niet meer als rijkdom, wanneer de directe omgeving meer bezit. Dat verklaart waarom topmanagers zichzelf exhibitionistisch zullen blijven verrijken, ook als zij hun salaris openbaar moeten maken.


'Geld maakt niet gelukkig', grapte Arnold Schwarzenegger eens. 'Want vorig jaar had ik veertig miljoen dollar en dit jaar heb ik tweeënveertig miljoen, en ik ben geen spat gelukkiger geworden.'
    Grapjes bestaan niet: Schwarzenegger heeft gewoon gelijk. Boven een bepaald verzadigingspunt heeft een groter vermogen geen enkele invloed meer op ons welzijn, welbehagen of geluk. Waarom zijn al die extra miljoenen en die vette optieregelingen voor onze topmanagers dan toch nodig? Niet omdat de topbestuurders anders naar het buitenland vertrekken - dat doen ze sowieso alleen als ze zin hebben in een buitenlands avontuur. Toch sputtert niemand tegen als werkgevers het hebben over een inhaalslag ten opzichte van het buitenland of het volgen van internationale ontwikkelingen.
    We begrijpen allemaal waar het om gaat, al zeggen we het niet hardop. Als topmanager X drie miljoen per jaar verdient, terwijl andere kerels in vergelijkbare posities in Amerika en Engeland dertien miljoen per jaar verdienen, voelt X zich een loser. Al heeft hij in de praktijk ruim voldoende aan zijn drie miljoen en kan hij die tien miljoen extra per jaar van zijn levensdagen niet opsouperen, toch moet hij ze hebben. Anders weet hij zich achtergesteld ten opzichte van de anderen. En dan wordt hij afgunstig - precies zoals een kind dat een prachtige, gloednieuwe, vuurrode brandweerauto cadeau krijgt, en toch in tranen kan uitbarsten als hij ziet dat een broertje of vriendje op hetzelfde moment een nog grotere brandweerauto uitpakt. Deze kleinzieligheid is de werkelijke reden van de exhibitionistische zelfverrijking van onze elite. Maar oordeel niet te snel, want die kleinzieligheid zit ingebakken in elk mens.
    Wat je hebt, is alleen waardevol in relatie tot wat anderen hebben. De mens heeft een ongelooflijk vermogen zich aan elke situatie aan te passen, betoogt de Amerikaanse hoogleraar economie Robert H. Frank in zijn boek Luxury Fever (Money and Happiness in an Era of Excess, Princeton University Press, 1999) en dus voelt ook rijkdom al snel niet meer aan als rijkdom. Maar er is overvloedig bewijsmateriaal uit psychologisch onderzoek dat mensen altijd rijker willen zijn dan de andere mensen die ze kennen. We hebben ergens in de geschiedenis stilzwijgend afgesproken dat we niet al te veel gaan zeuren over andermans hogere inkomen, zoals de communisten deden, want het hele systeem van het kapitalisme is gebaseerd op die natuurlijke menselijke competitie. De drang om groter, sterker, mooier en rijker te worden dan onze soortgenoten leidt tot veel en enthousiast particulier initiatief en uiteindelijk tot grote welvaart.
    Als er een medicijn bestond tegen onze neiging om belang te hechten aan wat anderen hebben, schrijft Frank, dan zou je dat beter niet kunnen innemen, want je zou minder goed in onze wereld functioneren. Frank vindt het dan ook helemaal geen kleinzieligheid, hij constateert alleen dat de menselijke geest nu eenmaal alles altijd in relatie tot de omgeving beoordeelt. Voor een werkende vrouw uit de middenklasse in Manhattan is het vanzelfsprekend dat ze geen zwembad heeft in haar huis, want niemand van haar vrienden in Manhattan heeft een eigen zwembad. Precies dezelfde soort vrouw in een suburb van Westchester County echter denkt er niet over om een huis zonder zwembad te kopen, want haar hele vriendenkring heeft er een.
    Toch is het duidelijk dat die natuurlijke competitie op dit moment in de westerse welvaartsmaatschappijen meer schade aanricht dan nut. In de evolutiebiologie is het principe bekend dat zich hier en daar in soorten een trekje ontwikkelt dat voor individuen nuttig is in de competitie met soortgenoten, maar voor de soort als geheel schadelijk. Het probleem daarbij is dat een individu zich niet in zijn eentje kan onttrekken aan die ontwikkeling.
    Mannelijke zeehonden zijn twee keer zo zwaar als de vrouwtjes. De nadelen daarvan zijn dat ze ongelooflijk grote hoeveelheden vis moeten eten en dat ze soms een vrouwtje bij de copulatie vermorzelen met hun gewicht. Voor de soort als geheel zou het beter zijn als alle mannetjes allemaal een stuk lichter waren. Maar één enkel mannetje dat lichter is dan de rest, heeft geen kans meer op voortplanting. Zo werkt het bij mensen ook, stelt Frank.
    Als je een goede indruk wilt maken bij een sollicitatie moet je een duur pak aan doen, dus doe je dat. Maar alle anderen doen het ook, en zodra iedereen een duur pak aan heeft bij sollicitaties maakt niemand meer speciaal een goede indruk met een duur pak. Toch moet je wel meedoen met de trend. Vogeltjes in een nest piepen zichzelf schor om de aandacht van de ouders te trekken, want het jong dat het hardst piept, krijgt de eerstvolgende worm. Als ze allemaal een toontje lager zongen, zouden ze met minder energie hetzelfde effect bereiken. Maar een jong dat in zijn eentje zachter gaat piepen, wordt overgeslagen en sterft.
    Zo werkt het ook op cocktailparty's, schrijft Frank: er zijn zoveel mensen tegelijk aan het praten dat je vanzelf een beetje harder gaat praten om nog gehoord te worden. Maar aangezien iedereen dat doet, stijgt het geluidsvolume in de zaal en heb je niets aan je stemverheffing. Toch moet je hard blijven praten, anders ben je helemaal onverstaanbaar.
    Het is makkelijk deze en de vele andere voorbeelden uit het boek van Robert Frank aan te vullen met eigen observaties. De huizenprijzen zijn idioot gestegen, je zou willen dat ze wat normaler werden. Maar kun je je eigen huis verkopen voor een prijs die je in je hart redelijk vindt? Nee, want dan doe je jezelf tekort. Dus haal je zelf ook het onderste uit de kan als je je huis verkoopt - en daarmee drijf je de huizenprijzen nog wat verder op.
    In sommige bedrijven is het algemeen aangehangen ideaal om een snelle, dure auto te hebben, zeg een Alfa Romeo. De parkeerplaatsen van die bedrijven staan vol metallic lichtblauwe en zeegroene Alfa's. Op een kwade dag zijn er teveel mensen met Alfa's en moet je voor een Ferrari kiezen om de blits te maken. Dat is de vicieuze cirkel van de rijkdom.
    De abnormaal hoge topsalarissen maken uiteindelijk niemand gelukkiger, want de topmanagers blijven ten opzichte van elkaar even rijk. Bovendien hebben ze evenveel te wensen over als voorheen: nu willen ze geen dertien miljoen per jaar, maar drieëntwintig miljoen, want dat wordt vanzelf de nieuwe topnorm. Het is dan ook ijdele hoop van VNO-NCW-voorzitter Schraven dat de inhaalslag met het buitenland voltooid zou zijn en dat het gedaan is met de forse stijgingen. Het kan altijd hoger, meer.
    Ook is het naïef te geloven dat openbaarheid van de inkomens de trend zal stoppen. Integendeel: hoe beter men weet wat de topnorm is, hoe harder iedereen zijn best zal doen die voorbij te streven. Ondertussen zijn er redenen om aan te nemen dat de families van deze topmanagers niet gelukkiger worden van al dat geld en zelfs per generatie steeds ongelukkiger. In The Golden Ghetto (The Psychology of Affluence, Hazelden, 1997) schetst Jessie H. O'Neill de gevolgen van grote rijkdom voor nakomelingen van topverdieners in de Verenigde Staten. Zelf is zij een kleindochter van de oprichter van General Motors en erfgename van een onmetelijk kapitaal.
    Na een moeizame overwinning op een diep ongelukkige jeugd, diverse verslavingen en bodemloos gebrek aan zelfrespect is zij psychotherapeute geworden, gespecialiseerd in wat zij noemt 'affluenza', het geheel aan trauma's en geestelijke storingen veroorzaakt door het opgroeien met veel geld. In Nederland kennen we dit fenomeen nog niet, omdat onze families met 'oud geld' tot voor kort nog allerlei ouderwetse normen en waarden hadden die het familieleven moesten beschermen en de karakters van kinderen vormden. Waar die normen en waarden wegvallen, zoals bij de rijken die O'Neill beschrijft, valt het gezinsleven makkelijk uiteen onder de druk van hedonisme en egoïsme.
    Generaliserend samengevat: de ouders hebben wel wat leukers te doen dan kinderen opvoeden; alle disharmonie wordt met geld toegedekt in plaats van opgelost; de nanny's houden vooral van hun salaris; de kinderen krijgen alles wat ze willen in materieel opzicht en ontwikkelen daardoor nauwelijks frustratie-tolerantie; door het tekort aan liefdevolle aandacht missen ze de meest elementaire basis aan zelfrespect en zelfwaardering.
    Het meest krankzinnige is dat hun psychische en emotionele problemen uiteindelijk veel weg hebben van de psychische en emotionele problemen van de allerarmsten in de samenleving, zoals O'Neill in haar boek aannemelijk maakt. Ze hebben zoveel geld dat ze niet snel met de politie in aanraking komen, maar van hun privélevens maken ze een puinhoop.
    De opstapeling van rijkdom aan de top heeft echter ook wel degelijk schadelijke gevolgen voor de maatschappij als geheel. Ten eerste moet het geld ergens vandaan komen en dat doet het ook: de kloof tussen arm en rijk wordt steeds groter. De vorige keer dat er in de politiek bezwaren rezen tegen te hoge topinkomens was onder Den Uyl. De PvdA stelde toen voor om vast te leggen dat het hoogste netto-inkomen niet meer mocht zijn dan vijf keer het netto-minimumloon. FNV-voorzitter De Waal heeft onlangs hoon geoogst met zijn voorstel voor een kleptocratentaks, letterlijk genomen een belasting op de heerschappij van de diefstal. De Waal wilde inkomens hoger dan honderd keer het minimum afromen.
    Van geluksonderzoeker en psycholoog Ruut Veenhoven weten we dat het gemiddelde geluksniveau in een land daalt, wanneer de inkomensverschillen groter worden. Inkomens-ongelijkheid gaat ook gepaard met sociale onrust en meer criminaliteit. Het competitieve koopgedrag van een superrijke elite siepelt door naar beneden, beïnvloedt het geluksgevoel van de lagen daaronder negatief en stimuleert het koopgedrag.
    Robert Frank citeert Karl Marx: 'Zolang alle huizen even klein zijn, is een klein huis sociaal acceptabel. Maar zodra er een paleis naast het kleine huis verrijst, wordt het een armzalig hutje.' Hoe meer paleizen er verrijzen, hoe meer we allemaal gaan verlangen naar een groter huis. Het geld dat we zouden kunnen uitgeven aan een schoner milieu, een betere gezondheidszorg, adequaat onderwijs, veiligheid op straat en andere zaken van algemeen nut gaat nu naar nog grotere huizen in privé-parken, zwembaden, Ferrari's, reizen, en al die andere vluchtige consumptiegoederen die niemand gelukkig maken, maar die de superrijken wel moeten kopen om geen enkele andere reden dan dat andere superrijken het ook doen, en omdat ze al dat geld nou eenmaal hebben.
 

Red.:   Hier staat bijna alles met betrekking tot de waarde van geld en rijkdom op een rijtje, en nog wat andere opmerkenswaardige zaken. Daarom eerst dat rijtje maar gemaakt:

  1. Boven een bepaald verzadigingspunt heeft een groter vermogen geen enkele invloed meer op ons welzijn, welbehagen of geluk.
  2. De extra miljoenen aan salaris en bonussen voor topbestuurders zijn alleen maar nodig omdat ze afgunstig zijn op collega's.
  3. De materiële afgunst zit in ieder mens.
  4. Het hele systeem van het kapitalisme is gebaseerd op de natuurlijke menselijke competitie, op zich gebaseerd op afgunst.
  5. De drang om groter, sterker, mooier en rijker te worden dan onze soortgenoten leidt tot veel en enthousiast particulier initiatief en uiteindelijk tot grote welvaart.
  6. Als je minder belang hecht aan wat anderen hebben, kan je in onze wereld minder goed functioneren.
  7. De natuurlijke competitie richt op dit moment in de westerse welvaartsmaatschappijen meer schade aan dan nut.
  8. Er redenen om aan te nemen dat de families van deze topmanagers niet gelukkiger worden van hun rijkdom, en per generatie zelfs steeds ongelukkiger. Ze ontwikkelen psychische en emotionele problemen die uiteindelijk veel weg hebben van de psychische en emotionele problemen van de allerarmsten in de samenleving,
  9. De opstapeling van rijkdom aan de top heeft schadelijke gevolgen voor de maatschappij als geheel.
  10. De rijkdom van de top gaat ten koste van anderen, en veroorzaakt dat de kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt.
  11. Inkomensongelijkheid gaat samen met sociale onrust en meer criminaliteit.
  12. Het competitieve koopgedrag van een superrijke elite siepelt door naar beneden, en beïnvloedt het geluksgevoel van de lagen daaronder negatief en stimuleert het koopgedrag.

Hiertussen staan ook een paar zaken die niet of niet geheel juist zijn. Nummer 3 stelt dat de afgunst in ieder mens zit, maar dat is hetzelfde als de hele wereld ophogen met een meter: het maakt niets uit. Het gaat om de verschillen, en we mogen rustig aannemen dat afgunst, net als alle andere eigenschappen als lengte, gewicht, enzovoort, verdeeld is volgens het patroon van de normale verdeling: veel mensen bij het gemiddelde, en steeds kleinere aantallen daar steeds verder vanaf.
    Punt 4 lijkt overdreven. Prestatiedrang hoeft niet allemaal op afgunst gebaseerd te zijn - bij bergbeklimmen komt prestatiedrang te pas, maar afgunst lijkt wat verder weg. Punt 5 wordt gerelativeerd door punt 7. Punt 6 lijkt aanzienlijk overdreven. Stel het maar omgekeerd: hoe succesvoller, hoe afgunstiger - dat zal onderzoeker Frank wel niet bedoelen. Punt 9 is een algemene uitspraak, een verzameling van de erop volgende meer specifieke, en zou in die zin weggelaten kunnen worden.

De rest valt heel weinig op af te dingen, en als geheel is het uiterst opmerkelijk. De redactie kan zich niet zo snel zo veel waardevolle constateringen in zo weinig ruimte herinneren. Veel scherper kan je kritiek op het moderne kapitalisme niet formuleren zonder verdacht te worden van communistische sympathieën. Opmerkingen als bij punten 5 en 7 laten zien dat dit beslist niet het geval is, daar ze nog enigszins aan de gunstige kant zitten (volgens de redactie). Even goed zijn al die opmerkingen op zich geen grote nieuwigheden, ze zijn allemaal al te vinden op deze website, grotendeels in de artikelen Rijken , Rijkdom en moraliteit , Rechtvaardiging rijkdom , Topinkomens rechtvaardiging , en Topinkomens zelfregulering . Ter illustratie van de verwarring die mogelijk is bij een minder heldere blik, zie hier .

Wat hier ook overduidelijk uit volgt is dat kapitalisme zelf geen duurzaam, 'sustainable', proces is, zodra er een limiet opduikt die een einde maakt aan de mogelijkheden van financiële en materiële groei. Het eerste komt al betrekkelijk dichtbij, met een directeur die zichzelf een kleine half miljard geeft voor zijn pensioen uitleg of detail . Het tweede is verder weg, maar fundamenteler: de aarde kan de ervoor noodzakelijke economische groei op een gegeven moment niet meer aan.


Naar Moraal lijst , Algemeen overzicht  , of site home .